De verkeerde route
Het was begin juni 2008.
Het EK voetbal werd gespeeld in Oostenrijk en Zwitserland.
Een collega en ik hadden toevallig die week vrij. Hij had net een nieuwe baan met een leaseauto. Dat kwam goed uit.
Ik had een paar routes uitgezocht.
Mijn oog was gevallen op de Wilder Kaiser.
Op een website had ik topos gevonden. Lange multipitchroutes. Mooie wanden. Het niveau lag ruim binnen wat ik kon. Goed afgezekerd. En wat niet gezekerd was, kon ik zelf oplossen.
Het leek een veilige keuze.
We reden naar Oostenrijk.
De sfeer in de auto was goed.
Aan de zuidkant van het massief liepen we naar de Kaindlhütte. Een lieflijke hut in een groene weide onder de rotswanden. Alles leek er biologisch. Het bier ook. Zacht en verrassend lekker.
We waren er bijna alleen.
Die nacht sloeg het weer om.
Toen we ’s ochtends naar boven keken, zagen we dat het hogerop had gesneeuwd. Niet veel. Maar wel genoeg om te zien dat de omstandigheden anders waren geworden.
We waren er maar een week.
Dus we gingen toch.
De rotswand was nat.
Het was grijs weer.
Ik klom de eerste lengte. Het ging, maar het voelde meteen anders dan ik had verwacht. De route was moeilijk te vinden. De wand was groot. Groter dan hij op de topo had geleken.
Ik improviseerde een paar keer tussen de haken.
Dat was niet hoe ik me had voorbereid.
Na een tijdje stond ik bij een boorhaak. Ik keek omhoog, probeerde de route te vinden. Maar ik zag hem niet meer. Alleen mogelijkheden om verder te improviseren.
En boven lag sneeuw.
Als we daar zouden komen, wist ik niet zeker of we nog terug konden.
Ik liet me vanaf de haak naar beneden zakken.
Daar stonden we. Onder de wand.
Even stil.
Het voelde niet als falen. Eerder als opluchting.
En misschien ook een moment waarop je jezelf afvraagt of je iets had overschat.
Niet ver van onze route liep een Klettersteig: de Widauersteig.
Dat werd ons alternatief.
Ik had toevallig een Klettersteigset bij me. Voor mijn collega maakte ik een geïmproviseerde oplossing. Niet perfect, maar goed genoeg voor deze route.
Het was een prachtige lijn door de wand.
Normaal waarschijnlijk eenvoudig. Maar naarmate we hoger kwamen lag er steeds meer sneeuw. We passeerden langzaam de sneeuwgrens van die nacht.
Op een plek moesten we een grashelling traverseren.
Het gras lag onder een dunne laag sneeuw.
Je kon zien dat het gras was.
Maar je wist ook dat als je hier zou glijden, je pas beneden in het dal zou stoppen.
Ik liep voorop.
Niet omdat ik dat per se wilde. Maar omdat het zo hoorde. Ik had hem meegenomen.
Terwijl ik voorzichtig over de helling liep, dacht ik:
ik vind dit al spannend.
Hoe moet hij zich dan voelen?
Hij zei niets.
Ik ook niet.
We liepen gewoon.
Boven op de kam veranderde het landschap. De toppen van de Wilder Kaiser stonden als een kroon in het licht. Daar liepen wij overheen, langs de rand van het massief.
Vanaf daar begon de afdaling.
Die was niet eenvoudig. Smalle paden langs steile wanden. Hier en daar stonden kleine bordjes voor klimmers of wandelaars die daar ooit waren omgekomen.
Ik zag ze wel.
Maar ik liet het niet echt binnenkomen.
Daarvoor moest ik te goed opletten waar ik mijn voeten zette.
Pas lager op de berg werd de sfeer lichter. De sneeuw verdween. Het pad werd breder. We begonnen weer te praten.
Die avond speelde Nederland tegen Frankrijk.
In Sankt Johann kwamen we terecht op een brandweerfeest. Een dorpsfeest met muziek, bier en lange tafels. We hadden ergens nog onze oranje shirts gevonden.
Nederland won.
Ik meen met 4–1.
Maar wat ik vooral voelde, was iets anders.
De opluchting dat we beneden waren.
En dat we daar stonden, tussen al die mensen, alsof het de normaalste avond van de wereld was.