Hotel Belvedere
De Furkapas heeft een haarspeldbocht met een oud hotel.
Hotel Belvedere.
Op oude foto’s rijden daar klassieke auto’s langs.
Daarachter stroomt een gletsjer het dal in.
Tenminste, dat deed hij ooit.
Toen wij er in de zomer van 2008 waren, was het ijs al ver teruggetrokken.
Onder het hotel lagen witte doeken over de gletsjer.
Alsof iemand probeerde het smelten tegen te houden.
Wij waren met vier vrienden.
Allemaal rond de dertig.
Oud genoeg om beter te weten.
We waren naar de Furka gekomen om lange rotsroutes te klimmen.
Geen extreme dingen.
Gewoon een dag op de rots.
Lunch op een richel.
Langzaam omhoog.
Die ochtend was het mistig en miezerig.
Nat graniet is een slecht idee.
Dus gingen we wandelen.
Halverwege brak de lucht open.
De wolken trokken uit het dal.
We draaiden om.
Toen we begonnen te klimmen was het al middag.
De route had zesentwintig touwlengtes.
Waarom we precies die route kozen weet ik nog steeds niet.
Er waren genoeg andere.
Lang.
Maar niet zó lang.
De klim begon beneden bij de gletsjer.
Vanaf de pas daal je eerst af naar het ijs.
Een rommelige plek.
Smeltwater.
Puinhopen.
Bordjes die laten zien waar de gletsjer vroeger lag.
Vanaf daar klim je weer omhoog naar de wand.
De eerste lengtes waren makkelijk.
Soms zo makkelijk dat we twijfelden of we überhaupt moesten zekeren.
Maar we deden het toch.
Touw uit.
Zekeren.
Touw in.
Langzaam.
Maar het was heerlijk.
Koele berglucht.
Af en toe een richel uit de wind.
Zon op je rug.
Een vriend kwam ergens vast te zitten.
Voor het eerst in mijn leven gebruikte ik een kleine reddingstechniek met het touw.
Een geïmproviseerd takeltje.
Het werkte.
Daarna ging het weer verder.
Lengte na lengte.
Uiteindelijk kwamen we boven op de Klein Furkahorn.
Net geen drieduizend meter.
Daar zochten we het steenmannetje met de abseilhaken.
We vonden het.
En begonnen aan de afdaling.
Toen de laatste van ons beneden was, was het donker.
Niet schemer.
Donker.
En toen ontdekten we iets.
Niemand had een hoofdlamp bij zich.
We stonden op bijna drie kilometer hoogte.
Met nog vijfhonderd meter afdaling te gaan.
De eerste stukken bestonden uit grote blokken.
Geen pad.
Alleen een richting.
We spraken één ding af.
Rustig blijven.
Bij elkaar blijven.
Stap voor stap.
Het landschap bestond uit silhouetten.
Blokken.
Schaduwen.
En af en toe het idee van de pasweg beneden.
Het duurde uren.
Rond elf uur stonden we weer bij Hotel Belvedere.
Met touwen over onze schouders.
De keuken was nog open.
Even later stonden er vier borden Wiener schnitzel voor ons.
Perfect goudbruin.
Frietjes.
Een kleine salade.
Een groot glas bier.
Alsof het spitsuur was.
We zeiden weinig.
We aten.
Het was waarschijnlijk de beste schnitzel die ik ooit heb gegeten.
Sindsdien pak ik mijn rugzak altijd op dezelfde manier.
Eerst gaat de hoofdlamp erin.
Altijd.
En elke keer denk ik even aan die avond bij de Furka.
Aan zesentwintig touwlengtes.
En aan de schnitzel van Hotel Belvedere.