Parallel dal
Eind november.
Begin december 2017.
In de Noordalpen viel veel sneeuw.
Wij weken uit naar de rand.
Oberstdorf. Kleinwalsertal.
Ik had een route gekozen.
Een ronde om de Schwarzwasserhütte.
Lang, maar overzichtelijk.
Passen over, een kam, nog een pas.
Terug waar je begon.
Het weer was onzeker geweest.
Veel sneeuw. Veel wolken.
De eerste dag werd blauw.
We liepen vanuit Baad omhoog.
De lucht donker en helder.
De hut half onder de sneeuw.
Geen sporen.
We gingen uit elkaar op de hellingen.
Rustig. Met afstand.
Zoals het hoort.
Het was mooi.
Licht. Stil.
Sneeuw die nog nergens geweest was.
Na de eerste pas daalden we af.
Daarna weer omhoog.
Nog een kam. Nog een overgang.
En toen herkende ik het niet meer.
Ik keek om me heen.
Een dal dat klopte.
Of in ieder geval: dat leek te kloppen.
Ik had mijn horloge.
Hoogtemeter.
Ik kon ongeveer zien waar we zaten.
De kaart op mijn telefoon laadde niet.
Alleen een stip. Geen landschap.
Ik zocht naar herkenning.
Boomgrens. Richel. Richting.
Het paste net genoeg.
Alsof alles op zijn plek viel,
maar net niet helemaal.
Ik zei niets.
We moesten nog een overgang maken.
Een pasje, dacht ik.
Daarna het juiste dal in.
Maar we daalden al.
Verder dan goed was.
Het dal waar we in zaten
liep ergens naartoe.
Dat was genoeg.
We besloten door te gaan.
Niet omdat het zeker was.
Maar omdat het aannemelijk was.
Het licht kantelde.
De zon verdween achter de kam.
Het werd meteen kouder.
We skieden verder.
Rustig. Zonder haast.
Het werd donker zonder dat het echt donker werd.
Een soort blauw dat langzaam verdween.
We deden onze hoofdlampen aan.
Bijna tegelijk.
Kort daarna vonden we een pad.
Een smal bospad.
Dat gaf iets van richting.
Niet veel. Maar genoeg.
We skieden achter elkaar.
Drie lampjes in een rij.
Stil.
Alleen het geluid van sneeuw onder de ski’s.
Droog. Ritmisch.
Niemand zei iets.
Het werd kouder.
Zo’n heldere kou die je alleen in de avond hebt.
Het pad verdween soms.
Kwam weer terug.
Een van ons gleed even weg in een bocht.
Een korte schreeuw.
Daarna weer stilte.
We bleven dicht bij elkaar.
Niet te dicht.
Niet te ver.
Het dal werd breder.
Bomen.
Donkerte.
Diepte.
Beneden lag een dorp.
Of iets dat daarop leek.
Een paar lichten.
We kwamen uit op een weg.
Niet de weg die we zochten.
Een ander dal.
We stonden even stil.
Daar was het dan.
Geen analyse.
Geen woorden.
Alleen opluchting.
Aan de rand van het dorp zat een hotel.
Nog net open.
Of net open aan het gaan.
We gingen naar binnen.
Schoenen nog aan.
Iemand regelde een lift.
Voor de auto.
Wij bleven achter.
Een biertje.
Warmte.
Buiten werd het verder stil.
Het dal waar we hadden moeten zijn
lag ergens naast ons.
Parallel.
Niet ver weg.
Maar ver genoeg.