Waar het spoor begon

In 2005 maakte ik mijn eerste skitour.

Het avontuur begon niet in Oostenrijk, maar in Nederland.
Ik moest materiaal huren en had geen idee wat daar allemaal bij kwam kijken.
Vellen, bindingen, pieper, schep, sonde.
Het was duurder dan ik had verwacht.
En ik wist eigenlijk niet precies waar ik aan begon.

Ik had een vriend overgehaald om mee te gaan.
Hij was geen expert en had nog nooit getoerskied.
Maar ik wilde niet alleen.
Je zou kunnen zeggen: hij was de enige die gek genoeg was om ja te zeggen.

We verbleven in een eenvoudig gasthof in Steinach am Brenner, bij de Brennerpas.
Van daaruit wilden we naar de Blaser, ongeveer 2000 meter hoog.

Wat me het meest bijstaat van die eerste dag is de onwennigheid.

Normaal loop je naar een dalstation en stap je in een lift.
Nu moesten we zelf uitzoeken waar we moesten starten.
Ik had geen volledige kaarten, alleen routeboekjes met uitsnedes.
Eerst bepalen waar die uitsnede precies lag.
Dan de auto parkeren.
Dan uitvogelen hoe je je spullen aantrekt.

Ik weet nog dat ik dacht:
wat doen we hier eigenlijk?

Alsof ik iets had georganiseerd dat groter was dan ikzelf.

Die week bleek de koudste periode in veertig jaar.
Dat zagen we ’s ochtends op het nieuws.

Dat betekende twee dingen:
als we stopten, koelden we razendsnel af.
En bij het stijgen hadden we het veel te warm.

We droegen geen goed ademende kleding.
Bij het omhooglopen was het al snel bloedheet.
In de diepe sneeuw liep je zwaarder dan verwacht.
Je dacht dat je tempo maakte, maar eigenlijk vocht je tegen de sneeuw.

Stoppen was geen oplossing.
Dan werd het meteen ijskoud.

Het was ongemakkelijk.
Onwennig.
Maar we kwamen hoger.

Door de bomen zagen we het dal onder ons liggen.
Wegen als dunne lijnen.
Daken met een laag sneeuw.
Boven ons de witte hellingen en donkere rotswanden.

Op een plateau zagen we wolkenflarden over diepe, glinsterende sneeuw trekken.
En een paar houten schuurtjes midden in dat open landschap.

Daar voelde ik voor het eerst waarom ik dit deed.

We liepen verder tot het spoor ophield.
We wisten ongeveer waar we naartoe moesten.
Ik ging voorop en zette een nieuw spoor.

Achterom kijkend zag ik de lijn die we zelf hadden gemaakt.
Dat beeld is me altijd bijgebleven.

Niet de top.
Niet de prestatie.
Maar dat spoor.

De afdaling was rommelig.
Mooi op sommige stukken.
Spannend in het bos.

We belandden in een dicht stuk waar op elke vierkante meter een boom leek te staan.
We worstelden ons naar beneden.
Ik meen dat er een ski losraakte.
Er werd gevloekt.
Er werd gelachen.

Beneden waren we moe.

Mijn vriend was vooral blij dat het klaar was en dat er een drankje wachtte.
Ik voelde iets anders.

Trots.

Niet omdat het perfect was.
Maar omdat we het gedaan hadden.

Daar, op de Blaser, begon iets dat niet meer is gestopt.

Vorige
Vorige

Ailefroide