De avond na de berg
Zomer 2006
Het begon op een camping.
In Lienz.
Twee weken lang waren we elke dag van daaruit de bergen in gegaan.
Karlsbaderhütte.
Oberwalderhütte.
Steeds omhoog.
En weer terug naar dezelfde plek.
Tot die ochtend.
Na het ontbijt pakte ik mijn spullen.
De zon stond al warm boven het dal.
Ik stapte in de auto en reed weg.
Op de radio draaide een oude countryklassieker.
Wichita Lineman.
And the Wichita Lineman
is still on the line.
Ik reed richting Italië.
Voor het eerst in twee weken over wegen die ik niet kende.
Daar begon het avontuur eigenlijk.
Een paar dagen later reed ik Ailefroide binnen.
Granietwanden boven het dorp.
De rivier die uit de gletsjer komt.
Ik was er eerder geweest.
Maar toen was ik alleen op bezoek.
Nu kwam ik hier om te klimmen.
De eerste week klommen we multipitches.
Bas nam vaak de moeilijke stukken.
Remco klom sterk en rustig.
Ik volgde meestal.
Dat werkte goed.
Wat mij altijd bijbleef waren de afdalingen.
In Ailefroide loop je na een route zelden naar beneden.
Je abseilt.
Soms tien keer achter elkaar.
Op een van die routes stond ik bij het anker te wachten tot Bas en Remco beneden waren.
Twee ringen in de wand.
Een ketting ertussen.
En een metalen oog waar het touw doorheen liep.
Wat me opviel waren de extra stukjes touw.
Overal.
Alsof eerdere klimmers het anker toch niet helemaal vertrouwden.
Toen Bas begon te abseilen zag ik het oog bewegen.
Heel licht.
Een fractie groter.
Dan weer kleiner.
Onder mij zat misschien honderd meter lucht.
Ik dacht aan verhalen dat zelfs versleten karabiners nog ongelooflijk sterk zijn.
Dus ik deed wat je dan doet.
Niet nadenken.
Gewoon rustig in het touw gaan hangen.
Na een week klimmen besloten we hoger te gaan.
Echt de bergen in.
We pakten alles wat we nodig hadden voor een paar dagen.
Tent.
Slaapzak.
Kookspullen.
Mijn rugzak woog zeker vijfentwintig kilo.
Vanaf Pré de Madame Carle liepen we omhoog richting de gletsjer.
Boven ons lag de hut.
Maar wij sloegen onze tent op in de sneeuw.
Dat leek ons avontuurlijker.
Het was min zeven die nacht.
Mijn horloge had een thermometer.
Ik had een goede slaapzak.
Eigenlijk zelfs te goed.
Af en toe ritste ik hem open omdat ik het warm kreeg.
Dan stroomde er ijskoude lucht naar binnen.
Ik lag ook nog eens scheef.
De gletsjer was minder vlak dan ik dacht.
Om zes uur lagen we al in de tent.
Het was nog licht.
Ik was niet moe genoeg om te slapen.
En ergens wist ik dat ik de volgende ochtend iets ging doen wat ik nog nooit had gedaan.
Een vierduizender beklimmen.
We stonden op in het donker.
Gaar.
Kou in de handen.
Het kleine brandertje smolt sneeuw voor het ontbijt.
En voor het water dat we later nodig zouden hebben.
Daarna gingen de stijgijzers onder.
En liepen we de gletsjer op.
De sneeuw was hard bevroren.
Elke stap maakte hetzelfde geluid.
Krak.
Krak.
Onze hoofdlampen verlichtten de sneeuw.
Alsof er duizenden kleine sterretjes in zaten.
We liepen achter elkaar.
Aan één touw.
En niemand zei veel.
Langzaam verschenen er andere lampjes.
Van klimmers die vanuit de hut vertrokken.
Maar wij liepen voorop.
Omdat onze tent al op de gletsjer stond.
Hoger op de berg veranderde het beeld.
De fonkelende sneeuw werd afgewisseld met donkere spleten.
Zwarte gaten in het ijs.
Gletsjerspleten die zich ergens in de diepte verloren.
Mooi.
En een beetje beangstigend tegelijk.
Toen begon het licht te worden.
Achter ons kleurde de lucht roze en oranje.
En in de verte verscheen de Mont Blanc.
Ik had nog nooit zoiets gezien.
Ik was moe.
Had hoofdpijn.
Maar het was overweldigend.
Het laatste stuk werd steiler.
Meer dan vijfenveertig graden.
We plaatsten geen ijsschroeven.
Ik weet nog steeds niet waarom.
Als één van ons zou uitglijden, zouden we waarschijnlijk alle drie gaan.
Maar het ging goed.
Boven op de Dôme de Neige gaven we elkaar een high five.
In de kou.
We waren vooral moe.
En eerlijk gezegd ook opgelucht.
Voor die dag was dit genoeg.
Later, beneden op de camping, begon het besef pas.
We stonden naast een ouder Frans stel.
Ze waren zeker in de zeventig.
Ook klimmers.
Toen we vertrokken hadden ze ons succes gewenst.
Toen we terugkwamen nodigden ze ons meteen uit.
We moesten komen zitten.
Vertellen hoe het was geweest.
Die avond aten we samen.
Rode wijn.
Geroosterde kipfilet.
Sperziebonen.
Aardappeltjes, op z’n Frans klaargemaakt.
Remco en Bas spraken geen Frans.
Het stel geen Engels.
Maar dat maakte niet uit.
Ik vertelde ons verhaal.
En hij vertelde het zijne.
In de jaren zestig had hij de Aiguille du Dru beklommen.
Met houten pennen in rotsspleten.
Daar hing hij zijn touw aan.
’s Nachts bivakkeerde hij in de wand.
En met een zaklamp gaf hij signalen naar zijn vrouw in het dal.
Drie keer knipperen.
Alles gaat goed.
Daar zaten we dan.
Wij met ons avontuur.
Hij met zijn herinnering.
Pas toen we daar zaten, met een glas wijn in de hand, dacht ik voor het eerst:
Mooi.
Dit hebben we gedaan.