Helling zonder spoor
Herfst 2006.
We reden na werk de Alpen in.
Een grote auto.
Veel klimspullen.
Veel plannen.
Rond half twee ’s nachts kwamen we aan op een camping in Saas-Grund.
Een stacaravan.
Een korte nacht.
De volgende ochtend liepen we naar de Britannia-hütte.
De hut was al gesloten voor het seizoen.
Alleen het winterraum was open.
Een groot stapelbed.
Een kachel.
Een paar pannen.
Water was er niet.
Dus smolten we sneeuw.
De bergen rond de hut waren indrukwekkend.
De Allalinhorn.
De Strahlhorn.
De Rimpfischhorn.
Het plan was eenvoudig.
Via de Hohlaubgrat naar de Allalinhorn.
Een klassieke route.
Niet extreem moeilijk.
Tenminste, in goede omstandigheden.
Die omstandigheden hadden wij niet.
’s Nachts begon het te sneeuwen.
De volgende ochtend zat de wereld dicht.
Mist.
Wind.
Verse sneeuw.
We wachtten een tijd.
Deden wat reddingsoefeningen in de buurt van de hut.
Maar aan het eind van de middag besloten we toch even richting de gletsjer te lopen.
Gewoon om te kijken.
De volgende ochtend probeerden we het echt.
Er lag misschien wel een meter verse sneeuw.
Een spoor was er niet.
We hadden geen GPS.
Alleen een kaart, een kompas en een idee waar de route ongeveer moest lopen.
Dus liepen we omhoog.
Drie jongens aan een touw.
Ik achteraan.
Soms zagen we een flard van een oud spoor.
Maar meestal niet.
De sneeuw was diep.
De oriëntatie moeilijk.
We liepen langzaam.
We hadden veel gelezen.
Boeken over bergen.
Over expedities.
Over stormen.
Over ongelukken.
In veel van die verhalen kwam hetzelfde moment voor.
Het moment waarop iemand dacht:
we hadden eerder moeten omkeren.
We kenden die verhalen.
En toch liepen we daar.
Drie jongens in een witte helling zonder spoor.
Op een gegeven moment bleef de voorste staan.
Hij keek naar beneden.
Tussen zijn voeten.
Toen zei hij, bijna nieuwsgierig:
“Jongens… ik kijk hier in een zwart gat.”
Hij zei het niet alsof het gevaarlijk was.
Meer alsof hij iets bijzonders had ontdekt.
Gewoon een constatering.
Ik wist meteen wat hij bedoelde.
Een gletsjerspleet.
Onder een dunne brug van verse sneeuw.
Even zei niemand iets.
De wind ging over de helling.
We stonden stil in het touw.
Misschien hing er ook wat teleurstelling in de lucht.
De dagen ervoor waren de omstandigheden al moeilijk geweest.
Onze plannen waren steeds kleiner geworden.
En ergens wisten we allemaal wel dat deze poging misschien al te ambitieus was.
We draaiden om.
Het was niet echt een discussie.
Meer een stil besluit.
Toen we terugliepen werd het landschap weer groter.
De Dom stond in de verte.
De Täschhorn.
De Weissmies.
Grote bergen.
Onbewogen.
We hadden geen top.
Maar we waren er wel.
In dat enorme decor van sneeuw en steen.
Beneden wisten we eigenlijk allemaal hetzelfde.
Dit was de juiste beslissing geweest.
Niemand hoefde dat hardop te zeggen.
En misschien is dat ook een vorm van ervaring.
Niet wanneer je een top bereikt.
Maar wanneer je weet wanneer je moet omkeren.