Het tempo van het touw
Zomer 2006
We begonnen op een parkeerplaats.
Van daaruit keek je uit over de vlakte waar ooit de gletsjer lag.
De ijsstroom was ver teruggetrokken.
Een grijze wereld van steen en puin bleef over.
Daarachter lag het gebied rond de Grossglockner.
Groot. Stil. Ver weg.
De Oberwalderhütte lag hoog.
Boven de drieduizend meter.
Een grote hut.
Veel mensen.
Veel stemmen.
En toch lag de gletsjer er letterlijk om de hoek.
Je stapte de deur uit
en een paar minuten later stond je op het ijs.
Het voelde bijna te gemakkelijk.
Het is een plek waar veel tochten beginnen.
Vanuit de hut zie je de Grossglockner.
De hoogste berg van Oostenrijk.
Aan één kant loopt een lange geul omhoog naar de top.
De Pallavicini-rinne.
Lang geleden klommen twee broers daar als eersten omhoog.
Met touwen en materiaal
die nu bijna primitief lijken.
Ik dacht daar even aan.
Hoe anders de bergen toen geweest moeten zijn.
We waren met een man of tien.
Twee gidsen.
Twee touwgroepen.
Tussen elke klimmer twaalf meter touw.
Met knopen erin.
Voor het geval iemand in een spleet zou verdwijnen.
Op een ochtend zei de gids:
“Ga jij maar voorop.”
Ik mocht de sporen maken.
Niet moeilijk.
Gewoon richting een kleine verhoging in het glooiende terrein.
Ik voelde me sterk.
Fit.
Snel.
Misschien ook een beetje ongeduldig.
Ik zette kleine pasjes.
Voor mij liep dat prettig.
Ik kon tempo houden.
Het touw achter me verdween in de witte vlakte.
Pas later hoorde ik dat het achterin niet lekker liep.
Wie achter je loopt,
moet precies dezelfde passen zetten.
En kleine passen van de eerste
blijven kleine passen voor iedereen.
Aan een touwgroep kun je niet sneller
dan de langzaamste.
Dat is geen regel.
Dat is gewoon hoe het werkt.
Vanaf de kleine verhoging keek ik naar de groep achter me.
Eén lijn.
Langzaam door de sneeuw.
Het tempo was niet van mij.
Het was van ons samen.