Wat we toen nog niet wisten
Februari 2006
vertrokken op een vrijdagmiddag.
Na werk.
De auto vol spullen.
Ski’s op het dak.
Het plan was eenvoudig.
Tot ergens in Zuid-Duitsland rijden.
Slapen.
De volgende ochtend verder.
Bij Rosenheim ging het nog zo goed dat we besloten door te rijden.
Nog een stukje.
Tot Innsbruck.
Dat leek ons een goed idee.
Rond half twee reden we de stad binnen.
Dit was nog vóór de tijd van online boeken.
Dus we deden wat je toen deed.
Aanbellen.
Bij het eerste hotel bleef het stil.
Bij het tweede ging een lamp aan, maar de deur niet open.
Bij een derde werd door een kier gezegd dat ze vol zaten.
Het werd twee uur.
Toen half drie.
We reden het Stubaital in.
Maar ook daar bleven de deuren dicht.
Uiteindelijk parkeerden we bij het dalstation van een lift in Fulpmes.
Daar stond een thermometer.
–7.
De motor was nog warm.
Dat hielp even.
Mijn vriend had mij een zomer eerder een donsjas cadeau gedaan.
Die kwam nu goed van pas.
Stoelen naar achter.
Alles aan wat we hadden.
En proberen te slapen.
Je dommelt wat.
Wordt weer wakker.
Zoekt een houding die er niet is.
Rond zes uur gaven we het op.
Een paar dagen later waren we in Navis, een zijdal van het Brennerdal.
We hadden een eenvoudige kamer.
Geen ontbijt.
Geen avondeten.
Voor eten moesten we naar boven.
Dat betekende:
auto starten
sneeuwsokken om
en hopen dat je boven kwam.
Toen kregen we een ander idee.
“We kunnen er ook naartoe toerskiën.”
Dus vertrokken we ’s avonds in het donker.
Het dal was stil.
Alleen het zachte schuren van de vellen onder de ski’s.
In het restaurant aten we knödel.
Grote deegballen met spek en kaas.
Ze smaakten beter dan verwacht.
Misschien omdat we er moeite voor hadden gedaan.
Na het eten klikten we buiten weer in onze ski’s.
Met hoofdlampen op gingen we terug naar beneden.
Iemand uit het dorp had ons gezien.
Hij zette een grote schijnwerper aan bij een huis langs de helling.
Twee mannen die ’s avonds laat naar huis toerskiën.
Blijkbaar was dat een bijzonder gezicht.
Voor ons voelde het volkomen logisch.
Een andere dag gingen we naar het Kreuzjochl.
Ik had toen nog niet zo goed door wat mijn spullen eigenlijk betekenden.
Ik had bijvoorbeeld harsijzers.
Ik kende de naam.
Maar eerlijk gezegd wist ik niet precies waarvoor ze waren.
En bij toerskiën telt elke gram.
Dus liet ik ze thuis.
Dat leek een goed idee.
Tot de helling hard en ijzig werd.
We moesten met kleine stapjes omhoog.
De ski’s voorzichtig neerzetten zodat ze niet weg gleden.
Het ging langzaam.
Maar uiteindelijk bereikten we de top.
We waren behoorlijk kapot.
Dat moment hebben we zelfs nog ergens op film.
De tocht ging verder naar de andere kant.
In de verte zagen we een gids met een paar mensen omhoog komen.
Dat gaf rust.
Toen zei mijn maat ineens:
“Pas op. Lawine.”
Een stuk sneeuw kwam los op een helling verderop.
Misschien veertig meter breed.
Niet enorm.
Maar groot genoeg.
Ik wist toen nog weinig van lawines.
Alleen dat de meeste door mensen zelf worden veroorzaakt.
Maar deze kwam spontaan.
Dat maakte indruk.
De afdaling liep over terrein dat al door oude lawines was geraakt.
Brokken sneeuw.
Harde ruggen.
Skiën werd hobbelen.
We spraken af dat één van ons zou gaan
en dat de ander zou kijken.
Maar mijn maat skiede door.
Daar was ik boos over.
Niet omdat er iets gebeurde.
Maar omdat het ineens duidelijk werd
hoe weinig we eigenlijk wisten.
Achteraf denk ik daar nog wel eens aan.
Niet aan de tocht.
Niet aan de top.
Maar aan dat moment.
Aan het besef dat we daar stonden
met veel enthousiasme
en weinig kennis.
En dat het toch goed afliep.
Soms leer je in de bergen niet doordat iets misgaat.
Maar doordat het nét goed gaat.