Man muss kämpfen

zomer 2005

Die nacht sliep ik niet.

Mijn tent stond op een kleine camping in Hollersbach.
De rivier liep ergens in het donker.

Ik was negenentwintig.

En de volgende ochtend begon iets waar ik nog nooit eerder had gestaan.

Ik kende de bergen wel.

Van wandelingen.
Van boeken.

Maar sneeuw en gletsjers waren iets anders.

Mijn rugzak was loodzwaar.

Ik had alles meegenomen.
Zelfs een toilettas.
En een scheerapparaat.

Ik heb het die hele week niet aangeraakt.

De eerste dagen regende het hard.

We zaten veel in de hut.

Touwen.
Kaarten.
Navigatie.

Af en toe even naar buiten.

Kort.
Nat.
Grijs.

Later trokken we hoger de bergen in.

Naar de Neue Prager Hütte.
Ver boven de boomgrens.

Het was er spartaans.

Boven de keuken hing alle natte kleding.

De warmte van het koken trok omhoog.

Alles rook naar eten.

De gids heette Willy.

Hij sprak weinig.

Maar soms zei hij iets dat bleef hangen.

Tijdens een navigatieoefening liep iemand uit de groep voorop.
Ik zag al dat het niet klopte.

Toch liep ik achter haar aan.

Omdat zij aan de beurt was.

Willy draaide zich om.

“Bram,” zei hij.

“Nicht wie die Schafe.”

Later stonden we op de gletsjer.

We oefenden.

Om beurten lieten we ons in een gletsjerspleet zakken.
Daarna moest je er zelf weer uit.

Het ijs was blauw.

Oud blauw.

Dieper werd het donkerder.

Toen ik omhoog klom liep ik vast in de laatste meters.

De sneeuw bovenaan was los.

Ik probeerde het netjes op te lossen.

Rustig.

Technisch.

Toen verscheen Willy boven de rand.

Hij keek naar beneden.

“Bram,” zei hij.

“Man muss kämpfen.”

Ik klom verder.

Niet mooi.

Gewoon omhoog.

Tot ik over de rand rolde.

Bezweet.
Buiten adem.

Boven stond een van de anderen.

Hij had hetzelfde gehad.

We gaven elkaar een korte high five.

Die woorden zijn me altijd bijgebleven.

Nicht wie die Schafe.

En soms moet je vechten.

Vorige
Vorige

Ruimte in mijn hoofd

Volgende
Volgende

Wat we toen nog niet wisten