Het Museum
In de zomer van 2003 liep ik met een vriend een week in Zwitserland.
Ik las in die tijd veel bergboeken.
Over noordwanden.
Over sneeuw.
Over touwgroepen die vroeg vertrokken en laat terugkwamen.
Sommige namen kwamen steeds terug.
De Eiger.
De Matterhorn.
We wilden ze zien.
Niet beklimmen.
Alleen zien.
Bij de Eiger liepen we onder de noordwand langs.
We stonden stil bij verhalen die we kenden uit boeken.
De wand was groter dan ik had gedacht.
Maar ook verder weg.
Dat voelde veilig.
Een paar dagen later kwamen we in Zermatt.
We wilden naar de Hörnlihütte lopen.
De hut van waaruit klimmers vertrekken voor de Hörnligrat.
We waren daar nog nooit geweest.
De dag vóór de wandeling gingen we naar het Matterhorn-museum.
Daar lag het verhaal van de eerste beklimming.
De afdaling die misging.
De touwgroep die brak.
En er lagen voorwerpen.
Een platgedrukt flesje.
Een stuk uitrusting van iemand die niet terugkwam.
Dat flesje bleef me bij.
Niet omdat het bijzonder was.
Maar omdat het zo klein was.
Alsof iemand het nog in zijn jaszak had kunnen hebben.
Na het museum liepen we langs het kerkhof.
Daar lagen veel namen.
Bijna allemaal verbonden aan dezelfde berg.
De Matterhorn stond erboven.
Die avond sliepen we in ons tentje.
We deden bijna geen oog dicht.
Ik weet niet meer precies wat we zeiden.
Misschien zeiden we niet zoveel.
Er was spanning.
Angst ook, al wist ik niet precies waarvoor.
We waren ergens aan begonnen dat groter voelde dan wijzelf.
Terwijl we eigenlijk alleen maar naar een hut zouden lopen.
Dat wist ik toen ook wel.
Alleen lukte het me die nacht niet om dat zo te zien.