Wie zou ooit weten dat ik hier was

In november 2006 scheurde ik mijn kruisband.

Een maand later wist ik al dat voetbal voor mij voorbij was.

In februari werd ik geopereerd. Daarna begon het zoeken naar wat nog wel kon. Hardlopen probeerde ik even, maar dat voelde al snel verkeerd. Skiën was nog een vraagteken.

In april reed ik met twee vrienden naar Val d’Isère.

Ik hoopte dat skiën misschien toch nog zou lukken.

Dat viel tegen. De sneeuw was zwaar en nat, typisch voorjaarssneeuw. Normaal had ik daar geen probleem mee gehad, maar nu voelde het alsof mijn knie niet meer meedeed. Na een paar afdalingen wist ik eigenlijk genoeg.

Maar ik had nog iets anders meegenomen.

Een klimgordel.

Een via-ferrata-set.

Twee karabiners.

Als je het dal van Val d’Isère binnenrijdt, zie je vlak voor het dorp aan weerszijden twee enorme rotswanden omhoogschieten. In die wanden liggen twee via ferrata’s.

Ik reed erheen, parkeerde de auto en liep naar het begin van de route.

Daar stond een bord.

Gesloten.

Ik bleef even staan.

Dit mag eigenlijk niet, dacht ik.

En bijna tegelijk dacht ik:

wie gaat in hemelsnaam controleren dat ik hier ben?

En toen nog een gedachte.

Wie zou ooit weten dat ik hier was?

Ik stapte over het hekje en liep het pad op.

De route begon rustig. Eerst een pad door gras en rotsen dat langzaam omhoog liep naar de wand. Het was stil. Geen andere klimmers. Alleen het geluid van de rivier beneden in het dal.

Na een tijdje kwam de eerste echte passage: een lange hangbrug van twee kabels met houten plankjes ertussen. De brug bewoog een beetje in de wind terwijl ik eroverheen liep.

Het voelde goed.

Avontuurlijk, maar beheersbaar.

Aan de overkant begon het steiler te worden.

De kabel liep bijna recht omhoog langs een wand. Het was zwaarder dan ik had verwacht. Zonder kabel had ik dit waarschijnlijk niet kunnen klimmen. Met de kabel ging het, maar ik moest echt werken.

Terwijl ik daar hing, merkte ik dat het weer veranderde.

De lucht werd donkerder.

De wind trok aan.

Even later kwamen er grote natte sneeuwvlokken langs de wand. Een korte voorjaarsbui. De wind joeg ze horizontaal voorbij.

Het stuk waar ik zat was zwaar. Voor een moment dacht ik: wat gebeurt hier eigenlijk?

Boven dat moeilijke stuk klom ik een klein plateau op en bleef even staan. De wind werd alweer minder, maar de schrik zat nog in mijn lijf.

Ik keek omhoog.

Ik keek naar beneden.

Teruggaan voelde niet als een optie.

Dus ging ik verder.

Het volgende stuk was minder zwaar, maar nog steeds steil. Ik begon bewuster naar de kabel te kijken. Als een route een hele winter niet gebruikt wordt, kan er van alles gebeurd zijn.

Ik controleerde elke verankering voordat ik mijn gewicht eraan hing.

Een tijdje later kwam een passage waar de wand bijna loodrecht naar beneden viel. Alleen stalen pennen in de rots gaven houvast voor je voeten. Het dal lag ver onder me.

Toen gebeurde iets wat ik niet verwacht had.

De kabel verdween.

Niet abrupt, maar langzaam onder een sneeuwveld dat tegen de wand lag.

Ik bleef staan en keek ernaar.

Mijn eerste gedachte was simpel.

Wat ben je toch stom geweest.

Waarom ben je niet gewoon gestopt bij dat bordje?

Maar ik stond daar nu.

In mijn rugzak had ik een stuk prusikkoord en twee skistokken. Ik groef één stok dwars in de sneeuw als geïmproviseerd anker en maakte een eenvoudige zekering voor mezelf.

Het was niet perfect.

Maar het was beter dan niets.

Voorzichtig begon ik het laatste stuk te traverseren. Onder de sneeuw lag gras en ik wist dat het kon gaan schuiven als ik er verkeerd op stapte.

Stap voor stap ging ik verder.

Na een paar minuten zag ik dat de wand boven me afvlakte.

Het was het einde van de via ferrata.

Toen ik later het terras opliep waar mijn vrienden zaten, was de zon alweer terug. Zij zaten rustig in het lentezonnetje met een biertje.

Ik begon meteen te vertellen. Over de sneeuw, de kabel en het anker met de skistok.

Een van hen keek me aan.

“Bram,” zei hij.

“Zal ik een pils voor je halen?”

Later dacht ik nog vaak aan die dag.

Niet omdat ik trots was dat ik het gehaald had.

Eerder omdat ik besefte dat veel dingen die mij aantrekken in de bergen een bepaalde mate van risico hebben. Zelfs iets dat relatief veilig lijkt, zoals een via ferrata.

En dat sommige dingen gewoon een seizoen hebben.

Rots beklim je in de zomer.

Niet wanneer de winter er nog half ligt.

Vorige
Vorige

De berg die groter leek van afstand

Volgende
Volgende

Het Museum