Ruimte in mijn hoofd
Zomer 2006
De tweede cursus begon anders dan de eerste.
Ik wist inmiddels hoe zo’n week eruitzag.
Hoe de dagen begonnen.
Hoe de rugzak voelde op het eerste stuk omhoog.
Iemand vroeg of hij met mij kon meerijden.
Luc.
We kenden elkaar nog niet.
Maar onderweg bleek dat geen probleem.
Hij vertelde over tochten in de Himalaya.
Over plekken waar de bergen nog groter waren dan hier.
Het klonk avontuurlijk.
We reden door met de energie van jonge honden.
De groep verzamelde zich bij een parkeerplaats onder de Kalsbader Hütte.
Iedereen stond nog wat te rommelen met rugzakken.
Ik vertrok al.
Niet omdat het moest.
Maar omdat ik wist hoe het ging.
Omdat ik zin had.
Misschien ook omdat ik wilde laten zien dat ik sterk was.
Het pad slingerde omhoog door de helling.
Ik liep stevig door.
Toen ik bij de hut aankwam was er nog bijna niemand.
Twintig jaar later vraag ik me soms af waarom dat zo belangrijk was.
De hut lag bij een klein meer.
Als je omkeek keek je het dal in.
Lienz lag ergens beneden.
Kleine dorpen.
Licht in de verte.
In het dal was het een hittegolf.
Hierboven was het koel.
De hut had iets klassieks.
Alsof klimmers hier al heel lang kwamen.
Binnen rook het naar eten en hout.
De keuken was goed.
We waren met een man of tien.
Twee gidsen.
Michael.
En Heinz.
Heinz was ouder dan de meesten van ons.
Maar hij had iets jeugdigs.
Je zag meteen dat hij er zin in had.
De eerste dag deden we wat korte klimmen.
Boulderen.
Oefeningen met touw.
Standplaatsen bouwen.
Ik had thuis eindeloos geoefend.
In de woonkamer.
Met een stuk touw.
Steeds opnieuw dezelfde knopen.
Toen we het moesten laten zien ging het bijna vanzelf.
Touw om de karabiner.
Een slag.
Nog een slag.
Vast.
Heinz keek even naar mijn handen.
Hij knikte.
Het was maar een klein gebaar.
Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik daar goed op ging.
Later die dag leerde Heinz ons hoe je het touw kon opbinden.
Niet in een tas.
Maar over je schouders.
Je maakte lussen.
Een deel van het touw over de rug.
Een stukje over je schouders.
Het uiteinde knoopte je weer vast voor op je buik.
Een soort rugzak van touw.
We stonden allemaal een beetje te oefenen op het pad.
Ik probeerde het zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen.
Toen het eindelijk goed zat liep ik een paar passen.
Met dat touw op mijn rug.
Het voelde alsof dit iets was wat echte klimmers deden.
Misschien was het een beetje jongetjesachtig.
Maar ik werd er wel blij van.
De dagen daarna klommen we routes in de Lienzer Dolomieten.
Die rots is anders dan veel andere bergen.
Steil.
Veel kleine randjes.
De wand loopt vaak recht naar beneden.
Maar de grip is goed.
Luc en ik klommen samen.
Hij klom soepel.
Als hij ergens overheen ging wist ik dat het kon.
Dat hielp.
Soms stond ik op een klein randje en keek even naar beneden.
Het dal lag ver onder ons.
Toen voelde het groot.
Maar ook goed.
Op een middag oefenden we bij een rots vlak bij de hut.
Een wand van misschien vijfentwintig meter.
Daar konden we abseilen.
Het laatste stuk hing je vrij in de lucht.
Je voeten los van de wand.
Alleen het touw dat langs je heupen liep.
De eerste keer voelde je het meteen in je lijf.
Die korte stoot adrenaline.
Daarna werd het rustiger.
We deden het een paar keer achter elkaar.
En ergens merkte ik iets.
In het begin van zo’n cursus ben je vooral bezig met jezelf.
Met je handen.
Met je voeten.
Met het touw.
Maar nu had ik ineens ruimte over in mijn hoofd.
Een van de anderen maakte zich klaar om af te dalen.
Hij hing zijn zekerapparaat in.
Ik stond een paar meter verder.
En zag iets.
Zijn karabiner stond nog open.
Waarschijnlijk was het goed gegaan.
Maar toch.
Je gaat niet met een open karabiner naar beneden.
Ik zei er iets van.
Hij keek.
Draaide hem dicht.
Knikte even.
Het was een klein moment.
Maar toen dacht ik:
er is blijkbaar genoeg rust gekomen om niet alleen met mezelf bezig te zijn.
Om ook te zien wat er om me heen gebeurt.
Aan het begin van die week wilde ik vooral laten zien dat ik het kon.
Sneller lopen.
Knopen goed leggen.
De complimenten van Heinz.
Maar ergens onderweg veranderde er iets.
Er kwam ruimte.
Om om je heen te kijken.
Naar de wand.
Naar de anderen.
Naar kleine dingen.